Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Galeazzo II, 1351-1378. Barnabo, 1354-1385.

Urbanus V, 1362-1370.

Urbanus V te Rome, 1367.

voerden. Met hun hulp gelukte het aan de Visconti eerst in Milaan zelf hun vijanden te bedwingen en vervolgens hun gebied door de verovering van talrijke steden belangrijk uit te zetten. Maar zij hebben veel meer gedaan dan het zwaard voeren; in de kunsten des vredes waren de Visconti meesters. Aan hun schitterend hof bloeiden kunsten en wetenschappen; de Renaissance werd te Milaan met begrijpende liefde aangekweekt. Aan het hof zag men Petrarca; daar maakten Froissard en Chaucer kennis met de nieuwe beschaving. Handel en bedrijf verhieven zich tot een ongekende hoogte onder hun weldadig bestuur. Maar naast de schitterende, schier verblindende lichtzijden ontbreken ook de zeer donkere schaduwen niet. Het gezag der Visconti was als dat van alle Renaissance-vorsten een volstrekt despotisme, dat voor de laagste middelen, pijniging en moord, niet terugschrikte om zich te handhaven en alle verzet te breken. Ongehoorde gruwelen zijn op hun bevel gepleegd. Dat alles wijst op een moreele verwildering, die kenmerkend is voor iederen tijd van staatkundig verval; de langdurige politieke oneenigheden, waaronder Italië gebukt ging, hadden alle gevoel van verantwoordelijkheid gedood; ieder deed wat goed was in zijn oogen. Reeds aan Lucchino, een hoog beschaafd vorst van groote staatkundige talenten, een begunstiger, ja vriend van petrarca, worden moorden ten laste gelegd. Na zijn dood regeerden zijn neven Galeazzo II en Barnabo op zijn wijze door; maar meer dan hun vader hebben zij hun handen met bloed bevlekt. Doch ook hebben zij de macht van hun huis belangrijk weten uit te breiden. Milaan was de heerschende mogendheid in Noord-Italië; alle andere staten gevoelden zich bedreigd.

Geen wonder dus, dat men in Italië naar een helper uitzag. Ook de Paus begon bevreesd te worden voor den Kerkelijken Staat, die nog steeds door den energieken kardinaal Albornoz namens Zijn Heiligheid werd bestuurd. Ook hij riep evenals Genua, Venetië en Florence de hulp des Keizers in. Karei IV verleende die gaarne. Hij verscheen in 1365 in Provence, liet zich eerst in Arles tot Koning van het Arelatische rijk kronen en begon daarop te Avignon de onderhandelingen met Paus Urbanus V. Hij wees er op, dat het eenige middel om Italië te redden was de terugkeer van den Paus naar Rome; dat was tevens in 's Keizers eigen belang, daar het Hoofd der Kerk dan onttrokken werd aan den overwegenden invloed van Frankrijk. Maar de Paus verklaarde een terugkeer naar de Eeuwige Stad voor onmogelijk, zoolang een sterke hand de orde in Italië niet had hersteld; wie die sterke hand moest zijn, scheen niet twijfelachtig. Maar in Duitschland bleek geen vorst bereid om den Keizer in zijn Italiaansche plannen bij te staan. Toen besloot Urbanus zelf tot den beslissenden stap. Hij vertrok uit Avignon en deed den 16den October 1367 zijn intocht te Rome. Maar daarmede was slechts een gedeelte der zwarigheden opgelost. De Kerkelijke Staat, zoo lange jaren zonder onmiddellijk hoofd, verkeerde in een volslagen staat van anarchie. Toen riep Urbanus den Keizer op om zijn te Avignon gegeven belofte in te lossen. Inderdaad verscheen

Sluiten