Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na den Bijbel wellicht meest gelezen boek der Christenheid, de Navolging van Christus. De schrijver er van was — als uitslag van een verbitterden strijd mag men dat wel vaststellen, — Thomas a Kempis, die meer dan zeventig 'i jaren lang de broeders van het Windesheimsche klooster op den Agnieten- t berg bij Zwolle door een devoot leven stichtte. Yer van de beslommeringen dezer wereld vond hy in de stille kloostercel „in een hoekske met een boekske" het ideaal van het Christelijk leven. Dat ideaal heeft hij in zijn geschriften, kronieken en preeken, traktaten en brieven, gebeden en gedichten, maar vooral in de Navolging geschetst. Dit boek bevat vermaningen tot geestelijk, innerlijk leven, gelijk het een vroom Christen naar het voorbeeld en in de navolging van Christus leiden moet. De hoogste studie van den mensch is het leven van den Heiland; daardoor leert men de wereld verachten, zich door boete in deemoed van zonde bevrijden, zich volledig en ongedeeld aan God overgeven en in de verzinking in het kruis den vollen troost der genade in het hart ontvangen; dien troost vindt de Christen in de Heilige Communie, welks mysterie geen sterveling kan doorgronden, maar

vol deemoed geloovig moet aannemen.

Maar naast deze zedelijke hervorming wenschte men in breede kringen een reformatie van het Pausdom, van de geestelijkheid. Dat het Pausdom niet alleen van zijn hoog standpunt was neergedaald, dat het tot hoon en spot der Christenheid was geworden, is duidelijk; het is bekend, dat ook daardoor het peil der geestelijkheid ^sterk was gedaald. Of moet men zeggen, dat dat der leeken sterk was ge/ezen? Vermoedelijk beide. In ieder geval- was een zuivering van den clerus van bovenaf dringend noodig. Deze hervormingsbeweging werd het duidelijkst waargenomen in die landen, waaide Staat de hevigste conflicten met den Paus had te doorstaan gehad, in Engeland en Frankrijk, waar de belangen van den ontkiemenden, zelfstandigen modernen Staat herhaaldelijk met die van de nog altijd zeer machtige Kerk

in botsing kwamen.

In Engeland had sedert ffiyclif de beweging tegen de Kerk een beslist

kettersche kleur aangenomen. Onder Richard II had deze beweging bij vele aanzienlijken en bij den Koning zelf steun gevonden. In de vijftiende eeuw werd dat anders. Hendrik IV was , door een parlementaire revolutie op den i troon verheven en daardoor verplicht het Parlement naar de oogen te zien. Nooit heeft dit lichaam zulk een macht bezeten als onder het huis Lancaster. Maar Hendrik had nog meer verplichtingen. Den adel had hij voor zich gewonnen door een hernieuwing van den oorlog met Frankrijk in uitzicht te stellen, de geestelijkheid door de vervolging der Lollards te beloven. Voorloopig kon hij zijn eerste belofte niet inlossen; maar door de tweede zag hij zich genoopt zich tot beschermer der Kerk te verklaren en een algemeene kettervervolging te bevelen. Bij een Parlementsbesluit van 1401 werden aan de bisschoppen uitgestrekte volmachten tot beteugeling der ketterij verleend.

'homus a

Kempis,

380-1471

iendrik IV, 1399-1413.

Sluiten