Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

In het natuurlijke en geleidelijke zijner ontwikkeling, in de volheid van zijn leven en de grootschheid zijner daden, in de degelijkheid zijner door oefening verkregen kennis en kunst, in zijne beheerschte kracM zich huwend aan zachtheid, zijn sterk zelfgevoel in toom gehouden door eerbied voor de van God gestelde machten, zijn mannelijke trouw, zijn vaderlandsliefde, zijn eenvoud en bescheidenheid, in zijne vroomheid eindelijk als wortel zijner kracht — is deze stoere zeeman, die van schipper admiraal werd, een der schoonste typen van den Nederlander der zeventiende eeuw.

Wat een pracht van een jongen moet hij zijn geweest, die woelwater met zijn blozende wangen, zijn donkere haren en felle, bruine oogen! Altijd haantje de voorste in de gevechten van school tegen school; die ook onder de les liever de kracht zijner vuisten dan die van zijn verstand beproeft; die, van school weggejaagd en in de lijnbaan derHeeren Lampsens besteed, ook daar de guit blijft die hij is.

Doch reeds trilt in dat jongenshart de lust om iets groots te doen; „de glans der schoone daden daagt in zijn boezem op". Voorloopig blijft het bij een

Sluiten