Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongens-heldenstuk: hy beklimt den Vlissingschen toren tot in de spits. Daar kan hij zijn oogen letten weiden over de zee „daar zijn hart naar jookte". Varen zou hy en moest hij; dat was, zeide hij later zelf, „het eenige waar hij in zijne jonkheid voor deugde". Varen ging hij. En zie nu welk een verandering er in den jongen komt! Het woelige water doet een wonder aan den woelwater: hij wordt stil, vlijtig, gehoorzaam, niemand heeft meer iets op hem aan te merken — hij voelt dat hij gekomen is waar hij zijn moet.

De bron zijner jonge kracht, overstroomend naar alle kanten, heeft de bedding gevonden, waarin zij haar water zal voortstuwen; voorwaarts schiet de volle beek.

In 1618 doet de tienjarige knaap, bijna een kind nog, zijn eersten tocht als bootsmansjongen; dan wordt hij matroos en klimt langs de tusschenliggende trappen op tot stuurman, later tot schipper. Zoo vaart hij eenige jaren ter koopvaardij voor zijne reeders de Heeren Lampsens. Maar de Duinkerker kapers maken het den koopvaarders te benauwd. „Helpt nu u self, soo helpt u God", denken ook de Zeeuwsche reeders en zij zenden gewapende kruisers uit om hunne schepen te beschermen. Een dier kruisers wordt gesteld onder het bevel van schipper, nu Kommandeur, De Ruiter.

Zoo wordt uit den koopvaarder een oorlogsman; zoo weerspiegelt zich in De Ruiter's loopbaan de ontwikkeling onzer marine.

Wanneer dan in 1640 Portugal Spanje's juk afwerpt en de Heeren Staten der Vereenigde Nederlanden een vloot naar de Spaansche kusten zenden om den ouden vijand afbreuk te doen, treedt De Ruiter in 's Lands dienst. Als Kapitein-ter-zee neemt hy aan dien tocht deel. Weldra, zóó groot is reeds

Sluiten