Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want — men zie het niet voorbij — deze zeeman in zyn hart was oorlogsman tegen wil en dank. Wanneer de eerste zee-oorlog met Engeland uitbreekt, heeft De Ruiter genoeg van de zee en ziet op tegen den oorlog. Van de vyf en veertig jaren levens die hjj telt, heeft hij er vyf en dertig rondgezwalkt; hy verlangt naar rustiger leven aan land. De Staten van Zeeland zoeken hem aan, maar hy weigert. De aanzoekers worden aanhouders: het zal maar voor één tocht zyn, en dan: „als een goed burger en liefhebber des vaderlands mocht hy zich niet t'zoek maken." Nu geeft hy toe, doch met tegenzin en bekommering. Is die eerste tocht gelukkig volbracht, dan neemt hy opnieuw het besluit zich aan 's Lands dienst te onttrekken. Kapiteins, wien hy boven het hoofd is gegroeid, zyn afgunstig op hem en trachten hem te belasteren. Liefst wil hy zich terugtrekken. Andermaal weten eenige Heeren hem voor een tocht over te halen. Na zyn terugkeer wordt hy tot ViceAdmiraal van Holland benoemd. Weer weigert hy. Zelf komt hy in Den Haag om den Staten zyne bezwaren voor te leggen. De onweerstaanbare welsprekendheid van Jan de Witt is noodig om hem ten derden male te doen zwichten.

Over al deze deugden werpen eenvoud en bescheidenheid haar zachten glans.

Op den top der eere wordt hy zoomin duizelig als indertijd de rappe klimmer op de spits van den Vlissingschen toren. De Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland en West-Friesland, grootburger van Amsterdam, Ridder en Hertog, met eere bejegend door Koningen en Vorsten, blyft de eenvoudige burger die hy in den aanvang van zyne loopbaan was. De eenvoud van zyn huis aan den Buitenkant doet een Spaansch admiraal, den prins van Monte Sarchio, die

Sluiten