Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordiger van den Prins van Oranje zijn secretaris, de tachtigjarige dichter Constanten Huygens; achter hem zien wij de Gecommitteerden der Admiraliteitscolleges, den Schout-bij-Nacht Engel de Ruiter, verwanten, vrienden en bekenden van den doode, Gedeputeerden van de Staten-Generaal, van den Raad van State, van de Staten van Holland, de Overheid van Amsterdam, predikanten, bewindhebbers der Oosten West-Indische Compagnie, professoren, regenten van godshuizen, consuls, voorname burgers en eindelijk een ontelbare menigte van allen rang en stand. Uren lang trekt die stoet door de stad en bereikt eindelijk de Nieuwe Kerk. Het lijk wordt in den grafkelder neergezet; een drietal salvo's der stadssoldaten weerklinken; de kanonnen van een oorlogsfregat, op stroom voor de stad liggend, geven antwoord; wel mochten de oorlogsschepen die aan de Admiraliteitswerf lagen, hunne vlaggen laten hangen, nu de hand verstijfd was die de vlag der Republiek zoo lang hoog gehouden had.

's Avonds preekte professor Wolzogen in de Westerkerk over den tekst uit het Tweede Boek der Koningen: „mijn vader, mijn vader! wagen Israëls en zijne ruiteren!"

Zijne toehoorders luisterden met een verslagen hart en schreiende oogen.

Zoo eerde ons volk, toen een groot volk, zijn grooten doode.

*

Brandt's Leven van De Ruiter is, evenals de gansche kunst der nieuwere levensbeschrijving, een uiting van de herleefde Oudheid.

Ja, de middeleeuwen hebben behalve heiligenlevens

Sluiten