Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat inen de heugenis aan een groot Nederlander verlevendigt door een tentoonstelling, een tooneelvoorstelling, een redevoering, een gedenksteen — daartegen zullen waarschijnlijk weinigen bezwaar hebben, mits dergelijke vieringen binnen zekere grenzen blijven. Doch het schijnt my wenschelyk niet voorbij te zien, dat het innerlijk gehalte van zulke herdenkingen vaak te weinig overeenstemt met de uiterlijke luidruchtigheid. En dat vooral, waar het iemand geldt, groot niet alleen door zijn daden, maar ook zooals De Ruiter — door zijn karakter. Sommige dier groote mannen staan in het verleden als draailicht-torens in den nacht: men ziet ze niet; eensklaps: een helle schittering; dan weer duisternis. Met dien verstande, dat de tijdvakken van duisternis vaak zeer lang duren en de schittertijden zeer kort. Wat ik zou wenschen by deze herdenkingen is, dat men hare beteekenis meer zocht in het innerlijke dan in het uiterlijke; meer in stille daden dan in luide woorden; dat men zijne bewondering voor een groot man toonde vooral door een streven hem, voorzoover mogelijk, na te volgen in wat hy goeds en groots heeft gehad.

Zoo ook by De Ruiter.

Roepen wij ons zyn beeld nog eens voor den geest en stellen wij dit type van den Nederlander der 17e eeuw tegenover zoo menig type van onzen tijd.

Welk een evenwicht van lichaam en geest, van willen en kunnen, in dien gezonden, krachtigen man met zijn rustige zelfbeheersching en zijn kalme onversaagdheid. Hoe is dat evenwicht verbroken by zoovele onzer overwerkte geleerden, kooplui, vrouwelijke en mannelijke studenten; bij zooveel bleeke fietsers, als razenden over den weg „trappend," by tal van andere lijders aan „sport"-manie — altemaal

Sluiten