Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een schip, dat zich van verre wat groot opdeed en slechts zeventien man en weinig stukken geschut voerde, een Duinkerker, die een kostelijke prijs achter zich sleepte, van verre zoo lang najoeg, dat hij, hem voor een oorlogsschip aanziende, zyn prijs losmaakte en liet drijven. Voorts dat De Buiter bij de prijs komende en vreezende dat de Duinkerker, die meer dan twintig stukken geschut en honderdtwintig mannen aan boord had, op zijn schielijk wenden mocht keeren, en, hem naderende, zijne zwakheid mocht kennen, eenige van zijne zeilen, alsof h\j die stuk zeilde, liet vallen, waardoor de vijand zijn koers vervolgende, nog verder van hem afraakte. Middelerwijl bleef hij eenigen tijd als om zich te redden liggen en veranderde daarna van koers. Doch korten tijd daarna zag hy eenige andere Duinkerkers en bevond zich in groot gevaar, maar terzelfder tijd kwam er een Zeeuwsch oorlogsschip, dat hem, mits de helft van 't loon van de verloste prijs genietende, naar Vlissingen bracht. Op een andere reis van Salée komende, zag hij zich door eenige Fransche schepen, die onder gezochte voorwendsels bijna alles namen wat hun in zee voorkwam, op de kust van Barbarije zoo bezet, dat hij geen kans zag om te ontkomen. In deze verlegenheid, daar zijn kracht te kort schoot, bediende hij zich van zijne tong. Hij liet zich aan boord van een der Fransche schepen brengen. Daar vond hy den kapitein, door zijne rooverijen gepleegd op de ingezetenen dezer landen genoeg bekend. Dezen zocht hij met goede woorden te bewegen, dat hij zijn schip zou laten varen. De ander antwoordde met harde woorden, dat het schip met zijne lading verbeurd was, dewijl 't van een plaats kwam, die in vijandschap stond met zijnen Koning. De Buiter zeide, daar gehandeld te hebben met verlof van zijne hooge Overheid, de Heeren Staten, die

Sluiten