Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den avond met twee oorlogsschepen, door hunne Hoogmogendheden beschikt tot hun geleide vertrekken; dewijl men wist dat er geen meer vijanden in de West waren. Dienzelfden avond overleed de Vice-Kommandeur, Kapitein Van den Broek, door ziekte, in wiens plaats des anderen daags, den achtentwintigsten der maand, de Kapitein Jan Aartszoon Verhaaf werd gesteld en Kapitein Jan Gideonszoon Verburg tot Schout-byNacht. Verhaaf was in 't gevecht gekwetst, doch zyn zoon, de Luitenant van 't schip, een kloek jonkman, nam alles vlijtig waar, tot zijne volkomen genezing toe. Op denzelfden dag liet de Kommandeur De Ruiter al de Kapiteins by zich aan boord seinen, die hy met deze rede aansprak; 't Is, myne heeren, zeer waarschijnlijk dat Askue met zijn vloot, na 't gevecht, naar Pleymuiden zal zijn geweken, om de geleden schade te herstellen; daarom meen ik dat het raadzaam zy, dat men de Engelschen daar bezoeke en hun onverwacht op 't lijf valle. 't Is te vermoeden dat ze op onze komst niet verdacht zullen zyn en dat hunne Hoofden wellicht zorgeloos aan land zijn gegaan. Wij zullen, met God de voorsten, hunne vloot kunnen slaan en vernielen, eer zy meerdere bystand krygen om ons te zoeken en aan te tasten. Uit het voorgaande gevecht heeft men hunne lafhartigheid kunnen merken. Daaruit kan men lichtelyk afleiden, dat men hun opnieuw aantastende, nu alles in wanorde is, te meer kans tegen hen heeft. Wij hebben, door zoovele koopvaardijschepen belemmerd en zonder hulp der brandschepen, de vyanden, die veel sterker waren dan wy en den wind van ons hadden, op de vlucht gedreven; hoewel eenige Kapiteins uit kleinhartigheid hunne plicht vergaten. Die zich hieraan schuldig kennen, zullen hier goede gelegenheid vinden, om hunne schande met nieuwe

Sluiten