Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

het zijne zou blijven dan het te voren was. Aldus is 't ook gelegen met het benemen van 't gebruik der zee, die, zoowel als de lucht, onbevatbaar is, en welke niemand, met uitsluiting van anderen, zich kan toe-eigenen, maar die voor allen gemeen blijft, zoo voor de vaart als voor de visscherij. 't Is waar dat er in vroegere en latere eeuwen volken zijn gevonden die de zee voor anderen poogden te sluiten, om hen den koophandel en visscherij te beletten, maar 't viel (gelijk door een geleerd schrijver wordt aangemerkt) gemeenlijk kwalijk en tot hun nadeel uit. Het meesterschap ter zee, dat de Kretenzers zich aanmatigden, konden de Lydiërs niet verdragen en om dezelfde oorzaak stelden zich de Pelasgen tegen de Lydiërs, de Rhodiërs tegen de Pelasgen en de Phrygen tegen de Rhodiërs, die van Cyprus tegen de Phrygen en de Pheniciërs tegen die van Cyprus. Doch toen de Pheniciërs zich de gansche zee en visscherij toeëigenden en die aan anderen verboden, hebben de Egyptenaren en daarna de Milesiërs, die van Karia, Lesbos, Phocea en Korinthe de zee ingekreegen '). Als het volk van Lacedemon over de bijgelegen zee zocht te heerschen, begonnen de Atheners des te stouter te varen en stelden den Lacedemoneren en ook die van Egina, wetten. Toen die van Tyrus de geheele zee, zoo ver hun schepen voeren, onder hun gebied trokken, werden de Karthagers, Afrikanen en Sicilianen opgewekt om ook te varen waar de Tyriërs voeren. De zeemacht der Karthageren, die den Romeinen palen stelden hoe ver ze varen zouden, werd door de Romeinen gebroken. Uit deze oorzaak ontstond de oorlog tusschen de Atheners en Megarensers, die zich beklaagden, dat de Atheners hen, tegen het algemeen recht, uit

') De heerschappij ter zee verkregen.

Sluiten