Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teinen Jan van Amstel en Aldert Matthyszoon, hunne schepen nevens het zjjne op een sprink ') zouden leggen, om de stad te beschieten; 't welk zoo fel aanging,' dat de stad door 't stuiven van de pannen en steenen somtijds als in rook stond; zoodat de ruiterij niet wist waar ze zich zou verbergen. Ook liet De Ruiter door vier andere schepen gestadig, langs een vlak veld, op de Zweedsche ruiterij spelen. Ondertusschen kwam de Admiraal Bielke met den Vice-Admiraal Heldt, bij De Ruiter, die terstond by den Veldmaarschalk Schak aan Bielke's boord voer, hem biddende dat men terstond mocht aanvallen, dewyl 't toen al twee uren na den middag was. Na lang verzoek raakten eenige Deensche soldaten, met den Kornel Killegreuw en zyne Nederlandsche benden, tot den voortocht geschikt, in de booten en sloepen, (de oorlogsschepen konden op geen musketschot na aan den wal komen) en voeren voort, tot ze alle aan den grond vast raakten, omtrent een pistoolschot van de brug der stad. De Zweden hadden zich op twee plaatsen begraven a) en van de stad af, tot aan den bok der brug toe, dwarsschansen opgeworpen. Aan de eene zyde stonden twee, aan de andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters en de dragonders bewaarden ') de stad. In 't eerst schoten de Zweden sterk in de booten en sloepen, zoodat al eenige van de Hollanders sneuvelden. De Ruiter, in een van de sloepen daar tegenwoordig, dat ziende, riep zonder ophouden: „Valt aan mannen, valt aan, of gy zult al te zamen worden vermoord." Dit opwekken gaf hart. Hendrik van Fleury van Kulan, Heer van Buat, een Fransch edelman en Ritmeester in dienst van

') Kabel om een schip dwars te leggen. ") Verschanst. 8) Hielden bezet.

Sluiten