Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nalieten; dewijl 't hun belang vereischte, dat ze de Noordsche Koningen tegen elkander in gelijk gewicht van macht hielden. Maar 't is zeker, dat men den Heer De Ruiter dat overvoeren der gemelde benden toen niet vergde en dat hij ten zelfden dage aan den Veldmaarschalk Schak vertoonde, dat hij daar met de vloot, door schaarschheid van lijftocht, niet langer kon blijven en bovendien dat hij 'sLands vloot, zoo laat in den tijd, toen men alle dagen vorst of stormen te verwachten had, daar niet langer kon wagen. Dies besloot men dat hij zou onder zeil gaan. Hij voer terstond weêr aan boord, want de stad was zoo vol menschen, Denen, Duitschers, Nederlanders en Polen, ook gevangen Zweden, dat men daar kwalijk door kon komen. Hier waren, meende De Ruiter, wel veertienduizend menschen bijeen, zonder de paarden en wagens. Ook zag hij daar nog plunderen en vele menschen bijna naakt in de koude staan, maar met erbarming, klagende over de ellende van den oorlog, die alles verslindt. Weêr aan boord gekomen, ging hij den volgenden morgen met den dag onder zeil en zeilde met de vloot buiten het gat van Nyborg, bij de Schans. Na den middag kwam de Veldmaarschalk Eberstein aan 't boord van den Admiraal Bielke, op wiens verzoek zich De Ruiter derwaarts begaf, daar men ook de Veldmaarschalk Schak met eenige Kornels verwachtte; maar 't werd hun door een zwaren storm uit het West-noordwesten belet. De Ruiter raakte nog tegen den avond aan zijn boord. Daarna stelde hij op den 28sten der maand order om de lijfsbehoefte, die voor de landsoldaten uit Holland was gezonden, aan land te brengen, daar ze overwinteren zouden. Hij zond daar tweeduizend kasakken of rokken, drieduizendenzestig hemden, twee groote pakken met tweeduizend paar koussen en zes vaten met schoenen.

Sluiten