Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

last had met zijn bijhebbende schepen naar Stockholm te zeilen. Maar De Ruiter liet hem aanzeggen, dat hy zou blijven leggen, tot nader order. Dit aanzeggen, veroorzaakte onder de Zweden groote verbaasdheid l) en ontsteltenis. Zij zeiden, dat ze zulks niet hadden verwacht. Daarna kwam de Kommandeur Kornelis Evertszoon, door De Ruiter herwaart ontboden, benoorden de Zweden ten anker, gelijk zich De Ruiter bezuiden hunne schepen had gezet. De Zweden zonden tot drie reizen toe een Kapitein aan des Vice-Admiraals boord, verzoekende te weten, waarom men hen zoo had bezet en ophield? De Ruiter gaf hun dit antwoord, dat er een sterk gerucht ging, dat de Zweden omtrent Wismar en Rostok eenige vijandschap tegen den Kommandeur De Wildt hadden gepleegd, en dat men hen daarom ophield, tot nader kennis van zaken. De Zweden zeiden, dat ze geen last hadden om eenige vijandschap, vooral niet aan de Staatschen, te toonen: ja indien de Staatschen op hen schoten, dat ze niet wederom zouden schieten. De Ruiter antwoordde, dat hij ook nog geen last had om hen aan te tasten: maar last krijgende, dat hij zijn best zou doen, en dat zij hun best daartegen zouden doen; want hoe ze zich meer weerden, hoe de Hollanders meer eer zouden winnen. Dan 't schijnt dat de Zweden niet in den zin hadden te vechten; dewijl eenige hunne vrouwen, kinders, dienstboden,' paarden, koetsen, huispakkaadje, bij zich hadden, waardoor ze te zeer waren belemmerd. Daar waren' ook twee Zweedsche schepen, die hun meeste geschut in 't ruim hadden leggen. Den 7en van Mei begonnen de Zweden wat van de Hollandsche schepen af te drijven, die zich in der haast bij hen hebben gezet,

') Schrik.

Sluiten