Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kapiteins Aart van Nes en Kornelis Evertszoon de Jonge, tot op anderhalf mijl naderde, ja de Schoutbü-nacht Van der Zaan kwam hun zoo na, dat hij hun kon toeschieten. Dit vervolgen met zeilen en roeien duurde den ganschen dag en een stuk van den nacht. De Turken lieten niets ongedaan om van de Hollanders af te komen, en verduisterden zich des nachts ten elf uren uit hunne oogen, zoodat ze hen daarna niet meer zagen. Dan, eerlang kreeg De Ruiter nog jacht op twee Turken en kwam den eenen zeer na, doch hij ontkwam 't in de duisternis van den nacht.

Weinig dagen daarna kwam De Ruiter voor Malta, waar ook de Kommandeur Evertszoon, en kort daar aan de Kommandeur De Wildt, met de andere schepen, aankwamen, en zich weêr bij de vlag voegden. Men verstond uit de Malthesers, dat die van Tripoli met vijf roofschepen in zee waren; dat ze acht dagen geleden voor Malta waren geweest, en zich, zoo men meende, omtrent de kaap van Passaro, den zuidoostelijken uithoek van Sicilië, onthielden. Hierop werd goedgevonden, dat de vloot, blijvende verdeeld als voren, van Malta af tot de kaap van Passaro, en voorts tot de kaap van Spartivento, een uithoek van 't rijk van Napels, wel verspreid zou kruisen, zoo ver en nabij land als weêr en wind zou willen lijden, en de Opperhoofden zouden oordeelen ten meesten dienste te kunnen strekken. De Ruiter zou zich met zijne schepen in 't midden houden, de Kommandeur Evertszoon drie of vier mijlen om de Zuid van De Ruiter af, en de Kommandeur De Wildt drie of vier mijlen om de Noord. Hierop zijn ze vaneen gescheiden, om volgens de gestelde order te

Sluiten