Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hunne Hoog. Moog. tot de onderhandeling met die van Algiers, en over 't lossen van 's Lands ingezetenen uit de slavernij van Barbaryen, die zich toen op De Ruiters schip onthield, aan den Heer Johan de Wit, Raadpensionaris van Holland, verhalende wat in de ontmoeting tusschen de Vice-Admiraals De Ruiter en Lauson, den dertienden van Juni, was voorgevallen, en De Ruiters voornemen van niet wederom eerst te strijken. Hierop maakte de Raadpensionaris dit voorval aan den Heeren Staten van Holland bekend, en schreef daarna aan Mortaigne dit volgende antwoord: dat ik, om 't gewicht der zaak, en 't bericht daarin vervat, noodig acht hier in te voegen.

Mijnheer!

Ik heb aan de Heeren Staten van Holland en West-Friesland gecommuniceerd uw Ed. missive van den achttienden der verleden maand, inhoudende onder andere 't geen tusschen den Vice-Admiraal De Ruiter en den Vice-Admiraal Lauson, in de jongste ontmoeting, is gepasseerd, omtrent het strijken van de vlagge, en dat de Vice-Admiraal De Ruiter geresolveerd zoude wezen, in 't toekomende aan de Engelschen wel alle beleefdheid te doen, maar voor haar niet wederom eerst te strijken, uit oorzake dat de Vice-Admiraal Lauson in gebreke was gebleven de contrasalutatie in gelijke wijze te doen. Waar op haar Ed. Groot Moog. nagezien hebbende het tiende artikel van 't Tractaat, den veertienden van September des jaars zestienhonderd en twee en zestig met den Koning van Groot-Britannië gemaakt, daar van ten overvloed copie, met het translaat van dien, hierin gesloten is, zoo hebben de zelve geoordeeld, dat het voor een Officier en Dienaar van 't Land, die meermalen

Sluiten