Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als elders, in eenige afgelegene kwartieren te competeeren, en dat het strijken van de vlagge in dezelfde zee voor haar zoude geschieden uit erkentenis van haar gepretendeerde eigendom over dezelfde zee, men van dezer zijde verstaat voor de Engelschen en voor alle andere Koninklijke vloten te strijken uit respect voor haar respectieve Heeren en Meesters, als souvereine Monarchen, welk respect dan in de open zee, niet wel binnen zekere limiten bepaald, maar alomme zonder onderscheid van plaatsen gedragen dient te worden. Ik bid dan dat uw Ed. het bovenstaande, nevens mijne dienstige gebiedenisse, aan den meergemelden Vice-Admiraal De Ruiter gelieve te communiceeren, ende bevele uw Ed, beide hiermede in de bescherminge des Allerhoogsten, verblijvende,

Mijnheer,

Uw Ed. dienstwillige JOHAN DE WIT. In den Haage den 22 Juli 1664.

Het gemelde tiende punt van het verdrag des jaars zestienhonderd twee en zestig, in den brief gesloten, luidde als volgt.

Idem, dat de schepen en vaartuigen der Vereenigde Nederlanden, zoowel van oorlog, en om de macht van den vijand af te weren uitgerust, als andere, de welke eenig schip van oorlog van den gedachten Koning van Groot-Britannië in de Britannische zeeën zullen komen te ontmoeten, de vlagge van den top van de mast zullen strijken en het marszeil laten vallen, invoegen gelijk als ooit in vorige tijden gebruikelijk is geweest.

Dan eer de gemelde brief tot kennisse van den Vice-Admiraal kwam, had hij nog tweederlei ont-

Sluiten