Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeting met Lauson, hier na te melden. Uit het misnoegen dat De Ruiter tegen Lauson had, over t niet stryken, kan men afnemen, dat de Engelschen, als de Hollanders eerst voor hun hadden gestreken, dan daarna gemeenlijk desgelijks streken, en beleefdheid met beleefdheid erkenden. Dus ziet men ook dagelijks dat zelfs groote Koningen en machtige Vorsten, als zij, in eenige ontmoeting, van personen, die zij hunne mindere achten, met ontdekking des hoofds, of anderszins worden begroet en vereerd, dan daarna desgelijks den hoed zullen lichten, en de beleefdheid van hunne minderen met heuschheid bejegenen, zonder zich daarom, of daardoor, te verkleinen.

XIV. TOCHT NAAR DE KUST VAN GUINEE.

A°. 1664.

In dien tijd vond zich De Ruiter in geen kleine bekommernis. Hij moest zijne order geheim houden, en hij wist niet of hij stuurluiden in de vloot had, die in de gewesten, daar 't op gemunt was, bekend waren, en of men wel genoegzame boeken en kaarten van die kusten bij de hand had. Hij had daar nooit gevaren, en hij kon, zonder 't geheim van den tocht en toeleg in gevaar te stellen, en eenigszins te ontdekken, niet vernemen of er anderen van zijne zeeluiden waren geweest. Daar was in die onkunde, verstond hij, wel kans om die landen te vinden, maar niet met zoodanige verzekerdheid, veiligheid, vertrouwen en voordeel, dan of men op die kusten was bedreven. Dat zijn zorg niet ongegrond was, heeft de ondervinding in 't kort geleerd. Te dezer tijd werd bij den Krijgsraad, eer men nog te zeil ging, om te

Sluiten