Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten kwaadste genomen, al waar 't, dat men hier te haastig had toegetast, dat zou men met weêrgeven kunnen vergoeden: doch indien men die schepen onbeschadigd had laten varen, en dat daarna verstaan werd, dat men ze had moeten nemen, of dat de last zoo ver strekte, dan had men dat verzuim niet kunnen verbeteren. Ook heeft de tijd kort daarna geleerd, dat men omtrent dit stuk niet had gedaan tegen de meening van den last en 't oogmerk der lastgevers. Nadat men 't gemelde verdrag met de Engelsche koopvaarders had gesloten, kon men, vermits het vallen van den avond, en de duisternis des nachts, niet meer verrichten. Doch de Overste van het eiland Goereê vond zich ten einde raad, oordeelende dat er met vechten niet viel te winnen; dewijl hy geen bijstand van 't Koningsoorlogsschip, noch van de Engelsche koopvaarders had te verwachten. Dies zond hy nog 's avonds laat, te tien uur, iemand met een brief aan De Ruiter's boord waarbij hij aanbood, het eiland met de sterkten, op eenige voorwaarden, die hij den Heer De Ruiter toezond, over te geven.

XV. JAN KOMPANY.

Op den zeiven dag viel iets voor dat waardig is verhaald te worden: een wonderbare ontmoeting. Eenige van de Hollandsche schepen verzeilden beoosten het eiland Goereê, en hunne booten voeren aan de kaap of het vaste land om water. Onder anderen begaf zich de Schout-bij-nacht Van der Zaan aan land, daar hij een ouden Neger vond, die Neêrduitsch verstond en sprak, en hem vraagde, wie als Admiraal 't gebied had over de Hollandsche vloot?

Sluiten