Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vloot gebracht, en tot nader ordre aangehouden. In de voornacht vaardigde de Heer De Ruiter een' vertrouwden Neger met een' brief aan den Generaal Valkenburg over land af: verhalende, op wat wijze dat men 't kasteel Takorary had bemachtigd: met verder verzoek, dat hij, zonder uitstel, eenig landkundig volk in de veroverde sterkte zou zenden; terwijl men niet een' man in de vloot had, die ooit in dit land was geweest. Ter zeiver tijd ontving de Vice-Admiraal De Ruiter antwoord op zijn eerste schrijven, aan den gemelden Heer gezonden. In deze brief betuigde Valkenburg zijne blijdschap over de aankomst der Hollandsche vloot en gaf voorts te kennen, dat hij van De Ruiters verrichtingen al voor drie weken tijding had ontvangen, en dat toen de Engelsche schepen, die voor del Mina lagen, verbaasdelijk waren geweken: maar dat ze niet te min de Hollanders te voren leed genoeg hadden toegebracht. Ook liet hij De Ruiter weten, dat hij den brief der Heeren Staten, den negenden van Augustus des verleden jaars geschreven, had ontvangen en dienvolgens, om zijnen toeleg op Takorary te vorderen, hem eenige macht van Negers of Zwarten te hulp zou zenden. Hierop kwamen des anderendaags de Opperkomiezen, of Hoofdbewindsluiden, Hubert van Gageldonk, en Samuel Smit, met omtrent driehonderd kano's, of kleine vaartuigen, uit een boom gehouwen, en wel duizend Negers naar de viool. In elke kano zaten drie of vier Negers. Deze voeren achter elkander in een langen streek, zoodat men van de eerste tot de leste nauwelijks kon zien, als een hoop zwarte mieren in 't water, dat een vermakelijk gezicht gaf. Men had hun onder drie vaandels der West-Indische Compagnie verdeeld, 't Waren kloeke mannen, met musketten, vierroers, assagayen, bogen en pijlen gewapend, en

Sluiten