Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liij kon door de felle branding van de zee niet landen. De Schout-by-naclit Aart van Nes zocht ook met zijn sloep naar land te varen; maar daarbij komende was 't eerst heel slecht') water, doch daarna verhief zich de zee weer schielijk, smeet de sloep vol water en met eenen 't onderste boven. Van Nes, niet kunnende zwemmen, liep groot gevaar van te verdrinken, maar een zijner matrozen, hem vasthoudende, hielp hem boven op de sloep, doch hij was de klem al kwijt^) Toen kwam zijn Schipper, met zijns broeders sloep, die zijn lijf en leven bergde en hem buiten zijn kennis aan boord bracht. Al zijn roeiers kwamen aan land, maar zijn Kwartiermeester verdronk en de sloep stiet tegen de klippen aan stukken. Van Nes bekwam allengskens, maar, zich kwalijk bevoelende, moest eenige dagen 't bed houden. Binnen 't kasteel ontstond ondertusschen een groote verwarring en onorde. 't Gemeene volk was zoo heet naar den sterken drank als naar den buit, en 't zoop zich vol en dul aan moutbrandewijn, dien men daar kilduivel noemde, daar men hen niet af kon houden: hoewel de Bevelhebbers alle vaten van zulken drank, die ze in 't oog kregen, in duigen lieten slaan. Door al dat drinken raakten velen aan 't krakeelen. Het smijten, slaan en schieten onder elkander ging zoo ver, dat men vijf mannen uit de vloot in 't kasteel zag dood leggen. Men had ook groote moeite met de Mynsche en Moureesche Negers en genoeg te doen om de Engelsche gevangenen, dien ze de hoofden wilden afslaan, bij 't leven te behouden. Ook krakeelden ze met de matrozen en soldaten om den buit. Den volgenden dag liet De Buiter 's morgens vroeg al de booten en

») Effen.

*) Kon zich niet meer vasthouden.

Sluiten