Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier kwamen drie Loodsschuiten in de vloot en een aan De Ruiters boord, vertellende hoe 't met den slag was afgeloopen en hem waarschuwende voor de Engelschen. Toen werd by den Heer De Ruiter met zyn Krijgsraad overleid, of men zich niet naar de Elve zou begeven. Doch 't werd toen stil en weinig tjjds daarna kreeg men wat koelte uit den Oostelyken hoek. Waarop besloten werd dat men 't nog wat zou aanzien. Men liet de Loodsschuiten weêr naar land varen, met ernstig verzoek, dat ze naarstig zouden oppassen en, als de wind omliep, wederkeeren, om de vloot op de Elve te brengen. Men verstond eenpariglyk, dat men op het allerspoedigste de eene of de andere haven moest zoeken, niet alleen om 't groot gevaar der Engelsche macht, die men zeide dat voor Texel en 't Vlie lag, maar ook omdat de schepen der gansche vloot geen tien dagen lyftocht hadden, ja eenige geen vyf dagen, inzonderheid kwam 't water schaarsch om. Dies werd vastgesteld, dat men, indien de oostenwind frisch doorkoelde, voor eerst den koers naar de Wester Eems zou stellen, maar indien de wind tegen liep en dat men de Eems niet kon krijgen, dat men dan naar de Elve, tot voor Gelukstad, zou zeilen en daar de vloot trachten te bergen. Maar God gaf nog 's avonds een Noordelyken wind en men stelde den koers naar de Wester Eems. Dus den ganschen nacht zeilende, met een WestNoordwesten wind, buiig weder, zware deiningen en regen, kregen ze den volgenden dag het eilandje Borkum, ongeveer twee Duitsche mylen ten Noorden van de kust van Groningerland, aan den mond van de Eems gelegen, van verre in 't gezicht. De toren van Borkum lag Zuid-Zuidoost van hun en ze bevonden zich beoosten de Ooster Eems. Zy hadden toen den wind Noordwest, zoodat ze slechts West-Zuidwest

Sluiten