Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

konden zeilen, en zeer op 't land bezet waren. Maar de wind liep te allen gelukke Noord-Noordwest, en zy zeilden toen boven het Juister rif of zand henen. Ook kregen ze de eb onder hunne lij, raakten met die ebbe boven het Borkummer rif, en waren ten tien uren in 't vatten van 't gat der Wester Eems. Zy geiden hunne zeilen op ') en lieten 't met de eb dryven (om eenige van hunne verachterde schepen en traagste zeilers in te wachten) tot tegen den voorvloed, die men omtrent der middag zou krijgen. Ondertusschen woei de witte vlag, en de Krijgsraad kwam aan De Ruiters boord, daar eenparig werd verstaan, dat men hier zou trachten in te loopen. Kort na den middag gingen ze met den voorvloed, inwaart aan, te zeil, maar met groot gevaar van al te zamen schip en leven te verliezen, want zy hadden geen loodsluiden, en al de tonnen en bakens, merkteekenen om naar te zeilen, en de droogten te mijden, waren door last der Hooge Overheid opgenomen ; opdat de Engelschen niet binnengaats zouden komen. Zij zeilden dan (want niemand van hun was daar ooit te voren geweest) op Gods genade, die hen stierde, en op den hals 2), dien zy waagden, naar binnen. De Heer De Ruiter zeilde zelf met zijn schip vooruit, hebbende voor zich aan de stuur- en bakboords wal een der Engelsche prijzen en den Vlaamschen puy, die gedurig het dieplood wierpen en nu ,,loef aan," en dan „hou draagende" ") riepen, of wuifden, daar al de andere schepen op volgden: ook hadden ze 't oog op de merken, die op 't klein eiland Rottem stonden. Dus liepen ze met een stijven

') Inkorten of gorden der zeilen. ') Met gevaar van het leven. •) Op dezelfde hoogte blijven.

Sluiten