Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noordwesten wind en hooge zee in 't gat der Wester Eems en kwamen 's namiddags ten vier uren voor de vesting van Delfzijl, ongeveer drie mijlen van Groningen, sterk negentien zeilen, ten anker: te weten, met twaalf oorlogsschepen, de behoeftfluit de Kameel, vyf Engelsche prijzen, (waarvan ze den eenen tot een brander b\j de vloot hadden gehouden) en 't Rotterdamsche koopvaardijschip het Hart. Zij vonden hier een kaper van Amsterdam op de reede en drie van Vlissingen, met vier Engelsche prijzen. De vloot werd met het losbranden van 't geschut verwelkomd, en de Bevelhebber van Delfzijl, Schay genaamd, kwam met eenig gezelschap aan De Ruiters boord, hem begroetende over zijne gelukkige wederkomst. Ook zond de gemelde Bevelhebber te post een brief af naar Groningen, aan de Heeren Gedeputeerde Staten van Stad en Ommelanden, waarbij hij hunne Ed. Moog. De Ruiters aankomst verwittigde. Het afschrift van dien brief werd in der ijl naar Texel aan de Gemachtigden der Heeren Staten gezonden. Zoo groot als de vrees wa3 geweest, dat De Ruiter, met zijne vloot, in de handen der Engelschen zou vallen, zoo groot was nu de blijdschap over hunne behoudenis. De menschen, mannen en vrouwen, kwamen bij honderden, ja by duizenden, van uur tot uur, in de vloot en op De Ruiters schip, (daar vele Engelsche vlaggen, tot eereteekenen van overwinning, achter uitstaken) om hem te groeten en te verwelkomen. Men voer van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, ettelijke dagen na elkander, aan zyn boord, uit steden, uit dorpen en van 't platte land. Edel en onedel, burger en boer, kwam te voorschijn en poogde De Ruiter en de vloot te aanschouwen, met ongelooflijke betooning van gunst. De harten gingen open van vreugde, de blijdschap blaakte ten aanschijn uit,

Sluiten