Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evertszoon de Jonge. Dus dreef men den ganschen nacht en de storm bleef even fel uit den Noordnoordwesten. Den volgenden morgen was 't weder even zwaar en men kon niet meer dan omtrent achtenveertig schepen rondom de vlag tellen. Toen was de wind Noordtenwesten en de L. Admiraal De Ruiter verstond, dat men noodwendig moest dragende houden en met dien feilen voordewind en storm, den koers naar 't vaderland stellen. Hierover werd met de Heeren Gevolmachtigden straks beraadslaagd en zyn voorstel toegestemd. Hy stelde dan omtrent ten negen uren zyn koers Zuidzuidwest aan en liet het weêr voor de windt, met een huikende fok, henen loopen; te meer, naardien men meende, dat de koopvaarders en de meeste Oost-Indische schepen (daar men maar twee van kon zien) al verre vooruit waren, ook was men beducht, dat hun, indien ze voor de vloot by 't Land kwamen, daar wel eenig ongemak van de Engelschen mocht ontmoeten. In dier voege liet het De Ruiter, dien de Admiraal der Oost-Indische schepen toen ook volgde, dien dag doorstaan l), terwijl de wind/ nog even hard uit den Noorden en Noordwesten woei. Maar tegen den avond minderde hy zeil, de achterste schepen inwachtende en met de fok lensende a) tot na middernacht, toen werd het schoverzeil bygemaakt. Dit vreeselyk onweêr had nu van den 8sten 's avonds tot den 11 den September 's morgens, zooveel meer dan twee etmalen, meest uit den Noordnoordwesten geduurd en de Heeren Gevolmachtigden vonden zich, nevens den Luitenant-Admiraal De Ruiter, op een rank, en in dat harde weder, zeer afvallig s) schip, namelyk Delfland, gescheept; doch zy

') Met volle zeilen voortvaren.

') Met weinig zeil voor den wind of de zee weg loopen.

8) Niet goed bij den wind blijvend.

Sluiten