Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lengte van zich kon zien en de vijanden op 't onzeker en als by de tast najagende, liep men gevaar van zichzelven te verstrooien en van een te dwalen, 't welk naar zeemansschap ongeraden, ja niet verantwoordelijk was. Ook moest men met voorzichtigheid de banken en zanden mijden, die verre in zee van 't Voorland liggen, daar daags te voren de Engelsche Admiraal Askue op vast raakte en de Nederlandsche schepen slechts twee-en-twintig voet waters vonden. Dit gevaar kon men voortzeilende wegens die zware mist niet mijden. Dien volgende *) vond de Generaal De Ruiter geraden met de gewone seinschoten de vloot te verzamelen, die de gansche nacht met klein zeil bleef drijven.

Des anderendaags, den vijftienden van Juni, kon men geen Engelschen meer, zelfs niet van de stengen der Nederlandsche schepen, zien. Want ze hadden alles bijgezet wat ze konden om te ontvlieden, en de naaste havens te bezeilen, gelijk ze ook op verscheidene plaatsen, maar meest binnen Harwitswater, waren ingevallen. Dus nam de langdurige bloedige zeeslag, en 't vervolgen der vluchtende vijanden, een einde. De Generaal De Ruiter, oordeelende, dat men de overwinning, die h\j bevochten had, nu in geen twijfel kon trekken, dewijl hij de plaats van den slag, die de vluchtende vijanden hadden verlaten, had ingehouden, vond toen geraden, met de vloot in de beraamde rendevous, de Wielingen, in te vallen: te meer, omdat vele van zijne schepen, door 't gevecht van vier dagen, aan masten en stengen, zeil en treil, zeer beschadigd waren; daar nog bijkwam dat hij

') Met het oog daarop.

Sluiten