Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den strijd. Deze storm werd weêr doorgestaan en met ongemeene dapperheid van De Ruiter, met weinige tegen vele vijandelijke schepen gestreden, niet zonder groot verlies van wederzijde. Het schip Gelderland, daar de Heer Willem Joseph van Gent, Kolonel der mariniers of zeesoldaten, een van De Ruiters seconden of hijstanders, over gebood, die zich dapper kweet, werd zeer reddeloos en zijn groote steng afgeschoten en liep groot gevaar, maar liet zijn anker vallen en kreeg alzoo ruimte van den vijand. Het brandschip 'tLammertje Queek, gevoerd bij den Kommandant Jan van Braakel, dat in 't scherpste van 't gevecht zich tusschen De Ruiter en Monk onthield, werd in de grond geschoten en zonk bij De Ruiters schip. Maar Braakel voer toen met zijn sloep en volk stoutmoedelijk naar een Engelschen brander, die ongetwijfeld Van Gent zou hebben aangestoken; doch, hem zoo ziende naderen, zichzelven aanstak en met het volk in de sloep vluchtte. Een andere Hollandsche brander werd in den brand geschoten en een gedeelte van 't gebergde volk kwam op De Ruiters schip en betrachtte hier weer hunnen plicht. Daarna beval De Ruiter den Kapitein Jakob Pieterszoon Swart, zich met zijn adviesjacht Schiedam bij Van Gent te voegen, hem uit het gevecht te sleepen, en in de naaste haven te brengen. Ook liet hij den Engelschman Samuel Ravens, die zich in den slag dapper had gedragen en met een grove kogel in zijn buik gekwetst was, met een galjoot naar Vlissingen voeren daar hij aan zijn wonden overleed en begraven werd. De Kapitein Rut Maximiliaan, een van De Ruiters seconden, werd doodgeschoten. De Kapiteinen Nyhof en Hogenhoek, insgelijks zijn seconden, waren in staat van sterven door hunne wonden, de eerste was zijn been afgeschoten en de ander met eéh kogel in zijn buik getroffen.

Sluiten