Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevechts, onder sommige dooden, op 't schip en sliepen, alsof ze dood waren. Zoodat men ze by 't haar of de leden moest trekken om ze op te wekken en in order op hunne plaatsen by 't geschut te stellen. De meeste Engelsche zeemacht had toen De Ruiter eenigszins omringd. Zy lagen rondom hem als een halve maan: hy had ze aan de loef, in de ly en van achteren en lag alleen, met weinig schepen vergezeld. Hier begon men weer fel van alle kanten op hem te kanonneeren: de kogels vlogen als hagel, met een yselyk geschreeuw van degenen die getroffen werden. De zeilen, van nieuws aangeslagen, raakten vol gaten en aan flenteren. En 't stond zoo geschapen, dat hjj niet anders voor oogen zag, noch verwachtte, dan 't geheele verderf van 's Lands vloot, of van al de schepen die hy by zich had, indien de Engelschen hunnen plicht wel hadden betracht en naar behooren waren ingevallen. Gedurende dit vechten liet de Luitenant-Admiraal-Generaal De Buiter den LuitenantAdmiraal Van Nes, die hem trouwelyk bijstond, aan zyn boord roepen. Van Nes, by hem komende, vraagde De Ruiter, „hoe hy voer." Hy verhaalde hoe 't op zyn schip gesteld was en zy gingen te zamen in de hut, terwijl de Engelschen even sterk op hen schoten, zonder nochtans opzy te durven komen. De Ruiter zeide : „Wy zyn slechts met ons zeven of acht schepen byeen, wat zullen wy doen?" Want de andere schepen waren anderhalf myl waters voor hun, liepen zooveel zy mochten en konden tot geen staan gebracht worden, wat moeite met seinschoten daar om gedaan wierd. Van Nes antwoordde: „dat men zich al wykende moest verweren." 'tWelk hy insgelyks zoo verstond: want zy hadden geen macht by hen om zulk een vloot Engelsche schepen tegen te staan. Toen borst De Ruiter in deze woorden uit: „Wat komt ons over?

Sluiten