Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII. TOCHT NAAR CHATTAM.

Des zeiven daags, ten vier uren, werd den Heer De Ruiter door een galjoot met een brief, van den Heere Ruwaard 1), het innemen van Charnesse 2) verwittigd: met order dat hy met het gros der vloot zou voortzeilen tot voor Quinenborg, om aldaar den Theems of de Rivier van Londen bezet, en alzoo die stad te water belegerd te houden. Hierop zeilde de vloot derwaarts, en men liet den Luitenant-Admiraal Aylua en den Vice-Admiraal Schram, met brieven weten, dat ze met hunne schepen zouden volgen. Daarna ontbood de Ruwaard den Vice-Admiraal Enno Doedes, dat hij met de schepen onder zijn bevel staande zich insgelijks naar de Rivier van Rochester zou begeven, met verdere last, dat de Luitenant-Admiraal De Ruiter, indien hy daar mocht aankomen met zyn persoon, en al de overige branders, ook by hem zou komen, om te helpen beraadslagen en besluiten op een zaak van gewicht, hem voorgekomen. Dien avond, een uur na zon, kwam De Ruiter in de Rivier boven het groote baken met zyn schepen ten anker, zonder dat er iemand aan den grond raakte, hebbende niet min dan achtentwintig voet water. Met den dag weer onder zeil gaande, kwam hij ten zeven uren in de Noordboei ten anker. Hy voer toen metter haast met eenig vaartuig naar de Rivier van Rochester of Ghattam. Komende op het schip van den ViceAdmiraal Enno Doedes, toonde hem die een brief van den Heere Ruwaard, meldende dat hy zyn persoon

') Cornelis de Witt (Ruwaard van Putten).

2) Sheerness.

Sluiten