Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vechten, 't welk De Ruiter en de andere Hoofdofficieren tot groot voordeel rekenden: omdat al de Nederlandsche schepen, op de Engelsche kust reddeloos geschoten wordende, niet dan met groot gevaar en behulp van nog een of twee schepen, die men dan missen moest, van 's vyands wal konden afgesleept worden, 't welk op 's Lands eigen kust veel gemakkelijker, en met minder verzuim en schade kon geschieden. Ten zeven uren kwam de vloot ten anker, en elk was weèr bezig met wangen van masten en raas, splitsen en knoopen, en alles klaar te maken. De vijanden waren toen omtrent vier mijlen Noord-Noord-West van de Nederlandsche vloot, daar ze voor wind konden bekomen, terwijl ze geankerd lag. Doch het bleek dat zij 't niet zochten. Daarna kwam 's Lands vloot in 't Noord-West van 't eiland Walcheren in zee ten anker, Westkappel vier mijlen Zuid-Zuid-Oost van haar af. De gekwetsten werden den lOden naar Vlissingen, Middelburg en ter Veere in de Gasthuizen gezonden. Dienzelfden dag kwam de Kapitein Jakob Willemszoon Broeder, met het fregat Edam, uit Texel, bij de vloot. De Vice-Admiraal Sweers zeilde met het schip de Olifant naar Vlissingen, om zijn lekken te stoppen. Ter zelfder oorzaak liep ook daarna het schip van Van Ghent binnengaats. In de andere schepen werd ettelijke dagen gedurig gearbeid, om alles te herstellen en vaardig te maken. Men zond drie fregatten, onder de Kapiteinen Broeder, Tijloos en Vlak, om te kruisen van de vloot tot de Maas, en voort halver zee tusschen de Maas en Engeland; en twee snauwen, om te kruisen van Zeeland af tot halver zee, tusschen de Maas en Olphernesse, en voort naar Souwlsbaaij, vandaar voor de riviere van Londen, en van de riviere naar de vloot, en te vernemen waar zich de Engelsche en Fransche vloten onthielden.

Sluiten