Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Harderwijk, Deventer, Doesburg, Schenkenschans, Sint Andries, Hattem, Zwol, Kampen, Utrecht en Zutphen, waren onder 't ongelukkig aantal dergenen die onder 't uitheemsch geweld den hals hadden gebogen, 't Verlies van Utrecht en Naarden bracht gansch Holland in last, daar men tot het uiterste middel moest komen, de sluizen opende, en 't water liet inloopen; oordeelende, dat het beter was verdorven land dan verloren land. Het leger van den Staat, onder zijn Hoogheid den Heere Prins van Oranje, werd op vijf posten, of passen, daar men de vijanden had te wachten, verdeeld. De zwarigheden die den Staat van alle zijden overvielen, veroorzaakten groot gemor onder de gemeente, inzonderheid onder 't grauw, altijd gewoon de rampen van landen en lieden de Overheden te wijten. In 's Lands vloot, daar ook dagelijks kwade tijdingen aankwamen, vond zich de Luitenant-Admiraal De Ruiter in geen kleine bekommernisse om alles in order en bij plicht te houden. Hij zocht derhalve de inkomende maren, zoo veel mogelijk was, te verbergen, of geheim te houden: doch kon al 't kwaadspreken van 't volk, en hunne woordenstrijd over de oorzaak van 't kwaad, niet verhinderen; hoewel zulke hakketten dikwijls groot krakeel veroorzaakten: daar een bijzonder voorval van staat te verhalen. Zeker Chirurgijn, of Heelmeester, Marten Bijlo, varende op het advysjacht de Walvisch, raakte den zeven-en-twintigsten van Juni met den Luitenant Baart Dirkszoon van Purmerend, die, door 't overlijden van den Kapitein, toen 't gebied had, in woorden, zoo over de scheepsbestiering als over den toestand van 't vaderland, en eindelijk over zaken van Godsdienst: de eerste voor de Gereformeerde, en de tweede voor de Roomsche kerk ijverende. Hier rezen de woorden zoo hoog, dat

Sluiten