Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen, bij stak, en met de zijnen op hunnen voortocht, die door den Luitenant-Oeneraal de Almeras werd aangevoerd, aanviel. Hier werd toen wederzijds zoo vreeselijk gevochten, alsof men 't geen aan de tyd ontbrak (dewijl 't zoo laat op den dag was) door de scherpte van den strijd wou uitwinnen. De Heer De Ruiter liep tot dicht by den Luitenant-Oeneraal de Almeras, en de andere schepen van de Hollandsche en Fransche voortochten, elkander naderende, hielden toen een schrikkelijk schutgevecht, 't welk voor velen doodelijk was. De Siciliaansche zee scheen in een vuurbrakenden jEtna veranderd, en alles stond in vuur en vlam, met dikken rook vermengd. Terwijl de schepen van de voortocht der Hollandsche vloot dus met de vijanden streden, zag men de middeltocht, die, gelijk gezeid is, uit de Spaansche schepen bestond, vrij verre in lij van hun af, en dat hun Opperhoofd Don Francisco Pereire Freire de la Zerda, Vice-Admiraal Generaal, mede bijstekende, wel sterk schoot, maar zonder vrucht op de vijanden, vermits de veerte. Hierdoor werd veroorzaakt dat het eskader van den Vice-Admiraal De Haan, 't welk, dewijl het achtertocht had, de Spaanschen moest volgen, zooveel te later aan den vijand kwam. Door dat laat bijkomen vond zich de Luitenant-Admiraal De Ruiter met zijn eskader genoodzaakt (om van de vijanden niet omringd of afgesneden te worden) hen met de zeilen op de mast liggende in te wachten, en al de lagen van een groot gedeelte der vijandelijke vloot, dat in goede orde hem passeerde, te ontvangen. Doch hü brandde zoo vreeselijk met zijn geschut op hen los, dat velen alle hunne zeilen bijmaakten, en voor den wind afhielden, om van zijn treffen ontslagen te worden. Eenigen verhalen, dat de Heer De Ruiter gedurende 't gevecht iemand met een sloep aan den

23

Sluiten