Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boom had aan Huët eenmaal geschreven: „alle haat en vijandschap is mij tegen — zoo dan biede ik u den vrede" ; uit vrede was vriendschap geboren geworden. Beider veeljarige correspondentie bewijst dit, als ook dat Busken Huët voor haar een opbouwend criticus was.

Keeren wij tot het jaar 1862 terug. De dood van Bosboom's tweelingbroeder was een zware slag vooral voor hem, hij leed daar sterk onder en nadat in 1864 Mevr. Bosboom door pokken aangetast bijna tot aan den rand van het graf was gevoerd, volgde er bij Bosboom eene reactie, een tijd van afmatting en melancholie, niet minder ernstig, dan de ziekte, die eerst zijn vrouw had aangetast.

Maar zooals Bosboom in zijn autobiografie heeft vermeld, was het in die dagen de nobele Jhr. C. C. A. Bidder van Bappard, die hem den voorslag deed al zijn werk voor hem te bestemmen, wat den schilder het leven gemakkelijker maakte. Het zal niet noodig zijn nader aan te duiden, hoe Jhr. Van Bappard Bosboom hielp, maar zeker is het, dat, terwijl deze vaak lijdende dus onmachtig tot werken was, zijne vrouw ook het hoofd ophield, zeggend© ,,als mijn man niet kan moet ik het wel doen" en het ook deed. Hare vele werken de jaren daarna verschenen leveren er het bewijs van.

Na ,,de Delftsche Wonderdokter" had Potgieter haar den raad gegeven een hedendaagsche stof te kiezen; zij dacht er over en zeide, zeker niet zonder ironie: ,,'t is eigenlijk gemakkelijker dan die historische voorstudiën te moeten maken."

„Majoor Frans," door haar eene novelle genoemd — eene herinnering uit haar jeugd, uit haren Frieschen tijd — rijpte in haar geest.

Zoo weinig dacht zij aan eenig bijzonder succes, dat

Sluiten