Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaardag, kon het niet anders of ik moest mij verdiepen in herinneringen van vroeger en later tijd; en onwillekeurig zag ik mij teruggevoerd naar die dagen mijner eigene jeugd, waarin ik Beets nog niet persoonlijk kende, en toch met zulk een sterk verlangen naar die kennismaking uitzag; — en het trof mij dat juist ik tot dezen aangenamen plicht werd geroepen, om dien dichter openlijk een feestgroet aan te bieden, wiens verzen ongeveer vijftig jaren geleden reeds door mij waren gekend en gewaardeerd, nog vóór zij tot de kennis van het groot publiek waren gekomen. Niemand, geloof ik, die niet tot zijn familie of zijn intiemste vrienden behoorde, heeft zóó vroeg van zijn zucht voor poëzie, van zijn ongemeenen aanleg en besliste roeping voor het leeraarsambt gehoord als ik, de hem volkomen onbekende, — door een gelukkig toeval.

Ik was een oogenblik in verzoeking, deze bijzonderheid met den aankleve te vermelden in mijn huldegroet aan den Jubilaris van 1884, — maar daar ik mij voorgenomen had, zoo weinig mogelijk van mijzelve te spreken, paste zulke mededeeling niet in dat kader. Nu echter, waar ik er toe gekomen ben in de herinneringen mijner jeugd rond te waren, ter wille van (zoo ik hoop) belangstellende lezers, vond ik vrijheid eens naar dat verre verleden om te zien.

Het was dan in den zomer van 't jaar 1833 toen ik, na in Mei het waagstuk ondernomen te hebben als opvoedster en onderwijzeres op te treden in eene deftige familie te Hoorn, het voorrecht had eenige weken vacantie te krijgen, door eene schikking waarbij mijne kweekelingen eenigen tijd bij hun grootouders in Gelderland zouden doorbrengen. Ik was zeer in mijn schik met dezen viertijd (Feriën, zooals de Duitschers dat noemen); weêr mijzelve te kunnen zijn, ontheven

Sluiten