is toegevoegd aan uw favorieten.

De Prinses Orsini

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

druk met zijne zaken; onze gastvrouw had het druk met haar kindje en hare huishouding. Jufvrouw Beets en ik sleten menig rustig uurtje te zamen; — en het duurde niet lang of zij deelde mij in vertrouwen meê, dat zij zoo'n knappen broêr had, die eerst in het vak van haar vader (apotheker als de mijne) zou worden opgeleid, maar, bij nader overleg, voor dominé zou studeeren, met September naar de Leidsche Akademie zou gaan, — en dat hij nu reeds zulke mooie verzen maakte. Het eerste (zijn knapheid) kon ik wel aannemen op hare getuigenis; zelve was zij schrander genoeg om zich daarin niet te vergissen; maar voor het andere had ik meer geldige bewijzen noodig dan de geestdrift eener liefhebbende zuster, al was het uit hare stralende oogen te lezen, dat zij in dezen vast geloofde wat zij zeide.

Ik had mijne redenen voor dat ongeloof. In den kleinen kring mijner kennissen, in mijne familie zelve, hoorde men niet zelden van personen die zulke lieve versjes maakten. Een oude neef bijv. te Harlingen liet geen voorval, geen verjaardag, geen verwisseling des jaars, geen kermis zelfs, voorbijgaan zonder er verzen op te maken, grootere of kortere naar de stof het meebracht, en die — waarlijk altijd rijmden, en bovenal met groot genoegen werden aangenomen door neefjes en nichten, jong en oud, daar ze meestal ten geleide strekten van het een of ander cadeautje. Ieder onzer hield het hem ten goede, dat hij op die wijze zijn dichtader liet vloeien, en waar eenige twijfel opkwam of een glimlach zich vertoonde, werd die terstond gedempt door de uitspraak: „Neef is toch zoo goed en hij heeft er zoo'n plezier in!" Een enkele stijfhoofdige, niets ontziende Fries, mocht zoo eens tusschen de tandan het woord „rijmelarij" laten hooren, als deze dichter den Katheder in de Nutsvergadering betrad