Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik tobde, ik aarzelde. Intusschen kreeg ik een deel van het M a g a z ij n, door Van der Aa uitgegeven in handen. Ik las! „Neen maar, zóó zou ik het toch ook kunnen!" riep ik overluid, hoewel in mijn eentje.

Ik zal de auteurs niet noemen, wier werk op mij dezen negatieven indruk maakte; maar — genoeg, dat ik uit hunne zwakheid mijne kracht schepte; dat ik moed kreeg om het althans te beproeven; dat ik enkele figuren, die mij voor de verbeelding traden, aangreep en gestalten gaf; dat zij mij niet loslieten, noch ik haar, voordat er een romantisch verhaal, zooals men toen zeide, uit gegroeid was, en ik Alma gr o geschreven had, — hoe weet ik nauwelijks meer, maar met een onuitsprekelijk genot voor mij zelve, zonder aan een uitgever te denken; — en dat ik het aan mijne ouders voorlas.

Mijne moeder, hartstochtelijk en levendig in alles, die geregeld alles las wat het leesgezelschap aanbracht, was in ééne verrukking. Zij zei toen, en nog veel later: „wat het is weet ik niet, maar 't is toch zoo anders dan van de anderen." En mijn vader had wel eens geglimlacht, vond een zeeroover die een fat was wel wat onwaarschijnlijk, — maar ik zou het toch eens wagen, en ik waagde het, en zond het aan den heer Robidé van der Aa, terstond zonder omwegen met mijn naam.

Wat zal ik zeggen? Ik had geen litterarische reputatie te verliezen. Er op of er onder, was mijn leus, — en ik was er op! Althans in zooverre het opnemen van het verhaal in het M a g a z ij n na de toezegging dat het sujet voor een plaatje er uit genomen zou worden, en de toekenning van een klein honorarium (6 gulden het blad), geacht kon worden een eerste stap op de ladder te zijn. Het honorarium was klein, doch de ervaring dat mijn werk, mijn oorspronkelijk

Sluiten