Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wellicht eens anders oog mocht ergeren, ergernis was toch zeker de gewaarwording niet van den man, die zoo strak en starend naar het huis opkeek, of hij er eene afteekening van had willen maken. Geleund als hij daar stond tegen een der notenboomen, die met hun frisch en altijd gaaf gebladerte het sieraad van den rivieroever uitmaakten, scheen hij in eene ernstig weemoedige overpeinzing vervallen te zijn, doch die meer had van zorg dan van bitterheid. De vriendelijke maan, die de voorwerpen alle met een schel wit licht overgoot, geeft ons gelegenheid om hem van het hoofd tot de voeten op te nemen om daarna te gissen wie hij zijn mag. Zijn gelaat draagt een zuidelijken karaktertrek, niet slechts door de donkerbruine tint, noch zelfs door de glinsterend zwarte oogen, maar vooral om iets bewegelijks en sterk sprekends, dat de kinderen van het Zuiden onderscheidt; de kleine hoed, aan drie kanten opgenomen en gegaloneerd, liet een hoog en open voorhoofd geheel onbedekt, dat u weer had kunnen bevredigen met den fijnen, listigen trek rondom den mond. Zijne gestalte was rijzig en slank, tot magerheid toe, maar de korte overrok, naar de mode van dien tijd meer gelijkende naar een jas dan naar een zoogenaamden rok van onze dagen, vermomde door wijde en ruime mouwen, zeer tot zijn voordeel, de al te groote teêrheid zijner vormen. De opslagen dier mouwen, de knoopsgaten en alle naden waren afgezet met goudborduursel en zwaar galon, dat op het donker violetkleurig laken eene goede uitwerking deed. Een zeer lang vest van witte damastzijde, met keurig gebloemte geborduurd, dat tot ver beneden de heupen reikte, gaf mede iets helders aan de al te sombere kleuren van zijn overig gewaad; de breede kanten das om zijn hals, de fijne batisten ondermouwen, mede met kanten versierd, de witte zijden kousen,

Sluiten