Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de marokijnleeren schoenen met diamanten gespen in het midden van een blauwen strik, deden hem kennen, zoo niet als een jonkman van rang, dan ten minste als een van fortuin; maar de deftige allongepruik, welker sierlijke bruine lokken lang nedervielen over hals en schouders, en eene soort van pronkdegen, dien hij met een kostbaren draagband aan de zijde bevestigd had, en bovenal de roode hielen aan de schoenen, beslisten zijn rang als edelman, daar geen burger zich met de eene en de andere had durven vertoonen. De eene hand, in een gemslederen handschoen gestoken, bracht hij als onwillekeurig naar zijn voorhoofd, toen juist een geroep van de rivierzijde, voortgebracht door eene heldere mannenstem, hem stoorde op eene onbehagelijke wijze.

,,Holla ! hé, vriend! Wie is de edelman, die dat aardige landhuis bewoont?"

De aangesprokene wendde schichtig en opgeschrikt liet hoofd henen naar de zijde, van waar het geluid kwam. Blijkbaar had hij de vraag niet verstaan. Hij zag dicht nevens zich eene sloep, die zachtkens de Indre afgleed, met een gezelschap van verscheidene mannen en vrouwen, allen lustig, jong, welgekleed, van welke sommigen zelfs speeltuigen bij zich hadden, ten bewijze, dat zij bij dit watertochtje zooveel zinvermaak mogelijk vereenigen wilden. De maan, het water, muziek en een zoele Augustusavond, — kon er meer noodig zijn, om jonge harten, voor zingenot open, tot de zoetste opgewondenheid op te voeren? Een jonkman, die op de voorplecht stond, en een roeiriem in de hand hield, dezelfde, die de vraag had gedaan, herhaalde haar nu ietwat scherper — en kreeg toen tot antwoord een eenigszins bits:

„De Sieur Frangois!"

„Dat is waarachtig de stem van De Sainbertöt,"

Sluiten