Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Ridder d'Erlanges, mijn vriend, mijnheer! Ik weet, dat gij mij het recht niet gegeven hebt, iemand bij u in te leiden; dan, mijn vriend had gerekend op de gastvrijheid van mijn dak ; hij vond mij niet, hij is mij gevolgd, wij ontmoetten elkander in den omtrek van uw huis. Ik beloofde hem hier schadeloosstelling voor wat hij bij mij had gezocht. Was ik te vermetel ?"

„Gij doet mij eere aan, Mijnheer de Graaf!" antwoordde de Sieur, „en de Ridder is wel goed, mijn dak voor lief te willen nemen. Ofschoon ik de gansche fraaie wereld van Tours niet hier heenroep, bewijst dat nog niet, dat de vrienden van mijne vrienden mij niet welkom zouden zijn." Dit zeggende, was hij opgestaan, had de Sainbertöt de hand gereikt, zich tegen den Ridder hoffelijk gebogen, en schoof nu zelf voor beiden een stoel nevens de groote tafel, waaraan hij zat, met de kalme rust van iemand, die een bezoek ontvangt, dat hem eenigszins verrast, doch dat hem niet ongelegen komt. De tegenwoordigheid van een vreemdeling maakte dus geen onaangenamen indruk op hem; doch welken maakte hij zelf op d'Erlanges ? Den meest natuurlijken, dien zijn persoon moest te weeg brengen, en dien een uiterlijk als het zijne nooit nalaat te geven, dien van een plotseling welgevallen, van eene onverklaarbare belangstelling, van hoogachting, en zelfs van vertrouwen. Want al was het een forsch en krachtig man, die nauwelijks meer dan een veertigjariger kon zijn, al hadden zijne vormen en trekken iets liefelijks, dat het welgevallen en de benijding uitlokte bij het aanschouwen, zijne schoonheid was niet in weekheid overgegaan ; zij had veeleer iets hards en strengs, vooral bij den fieren oogopslag. Hij droeg het glinsterend kastanjebruine haar bloot en gebonden, schoon voor lieden van fortuin of rang de groote lokkige pruiken reeds het eigen haar hadden

Sluiten