Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer! hoe gelukkig ik ben, een vriend van Mijnheer de Sainbertöt als onzen gast te zien."

„Waarlijk!" dacht d'Erlanges, „zij heeft zoo iets edels, zoo iets onderscheidends, nu zij spreekt; het is of zij zich tot mij neder buigtmaar hij schrikte, toen zij er bijvoegde „en waart gij ook niet een weinigje nieuwsgierig naar ons?"

„Natuurlijk moest ik naar de kennismaking verlangen met eene dame, van wier beminnelijkheid de Sainbertöt "

„Van wier aanwezen gij toch eerst dezen avond kunt gehoord hebben," viel de Sieur FranCois met gestrengheid in. „Mijnheer! wat ik u bidden mag, geene vleierijen aan mijne dochter I zij bederven nog eerder het hart, dan het verstand. Eene vrouw, die eene vleierij aanhoort, is eene bedrogene, en die er eene gelooft, is eene verlorene."

De ridder zag met de hoogste verwondering op zijn vriend; deze echter scheen aan dien toon gewoon te zijn, en zag alleen vriendelijk naar Diana op.

„Vader!" sprak deze, „Mijnheer kan immers nog niet weten, hoezeer wij de waarheid verdragen kunnen, hoezeer wij haar eischen op ieder punt, en gij zegt zoo vaak, haar niet te spreken, is eene gewoonte m de wereld : hoe kan men iemand eene gewoonte ten kwade duiden ? En ik moet even lachen, dat gij onzen nieuwen gast zoo spoedig bewijst, hoezeer gij vreest, dat ik mij zelve voor iets anders zal houden, dan voor een meisje, dat juist datgene mist, waaraan allen zooveel hechten : de schoonheid."

„Diana! gij weet niet welk eene groote gift die misdeeling voor u was," sprak de Sieur.

„Lieve vader I gij hebt er mij immers reeds zoolang voor leeren danken!" hernam zij. „Weet, dat ik er in berust zoude hebben, zelfs al ware het mij niet als

Sluiten