Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, welk een heimwee mij altijd naar gene zijde van de bergen trekt, maar eene zoete rilling overvalt mij, als ik mij het leven van de bergbewoners hoor voorstellen."

De Sainbertöt scheen aan haar verlangen te voldoen, maar hij deed het zoo zacht, zoo fluisterend, zoo geheel voor haar, en d'Erlanges gunde hem zoo eerlijk dit voorrecht, en de Sieur Frangois verdiepte zich daarbij zoo geheel in zijne eigene gedachten, dat hij het te wreed vond dit gesprek te storen, hoezeer het slechts eene alleenspraak scheen, want Diana luisterde — luisterde — als eene vrouw, die bewondert en aanbidt. Eindelijk meende de Ridder zijn gastheer te moeten onderhouden, en hij bracht het gesprek op het nieuwe kasteel — en hij voegde er bij, dat het bouwen wel eene zijner neigingen moest zijn, om van dergelijke ondernemingen niet afgeschrikt te worden door de lasten met het werkvolk, de verdrietelijke twisten met grondeigenaars, de aanmerkingen van bedillers, het opzien, dat het gaf in de landstreek zelve.

„Mijnheer! ik heb van dat alles last en meer dan ik u klagen wil," antwoordde deze; „ook bouw ik niet volstrekt uit liefhebberij, maar uit noodzakelijkheid, omdat ik m o e t."

„Aha! ik begrijp u: gij zult verstrooiing noodig hebben, afleiding!"

„Ja, afleiding I" herhaalde de ander werktuigelijk.

„Maar dan zult gij welhaast eene andere bezigheid moeten zoeken," vervolgde de Ridder, „als ChanteLoup voltooid is."

„Andere bezigheid!" herhaalde de Sieur opnieuw en vragenderwijs, alsof hij niet recht begrepen had; „welnu, als ik andere bezigheden krijg, dan verkoop ik het kasteel aan den eerstbiedende."

„Gij zoudt moeilijk een kooper vinden; de oude

Sluiten