Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aandacht van iemand, die zich vermaakt, toen de Sainbertöt en d'Erlanges zich met schrik herinnerden, dat het over middernacht was geworden, en dat ze te voet terug moesten.

„Dat zoudt gij zeker moeten, als gij terug wilt, want ik houd geene koets," hernam de gastheer, ,,en ik houd geene paarden tot mijn dienst, dan een enkel rijpaard."

„Ik wist het," sprak de Sainbertöt; ,,maar als de stallen van Chante-Loup voltooid zijn ..

„Misschien .... maar nu .... Diana gaat niet verder dan naar de kapel in hare draagkoets, en ik gebruik nooit een rijtuig voor mij zeiven — ik wil toch niet, dat gij dezen nacht te voet zult gaan ; het is een goed IX half uur naar St. Salie, en ondanks Mijnheer d'Argenson en zijne goede politie, zijn de wegen hier in Touraine niet zoo veilig als zij het gelooven, die nooit verder reizen dan van Versailles naar Marly. — Zoo gij samen eene kamer wilt deelen, is die geheel tot uwe beschikking; ik reken zoo weinig op gasten, dat ik slechts één vertrek in dit zomerverblijf te hunner beschikking heb."

Natuurlijk werd dit voorstel met eene dankbaarheid aangenomen, die gelijk stond aan den dienst, welke hun bewezen werd; alleen sprak de Ridder van de noodzakelijkheid, om in den vroegen ochtend zijne reis voort te zetten naar het Zuiden. De gastheer gaf daarop zijne bevelen aan Jeröme, den eenigen bediende, tot wien h ij het woord richtte, en Diana stond op en verwijderde zich met hare camériste, na een afscheid aan d'Erlanges, zoo ongemaakt en zoo hartelijk, alsof zij hem jarenlang had gekend en vriendschap toegedragen.

Jeröme geleidde de vrienden naar hunne slaapkamer, een vertrek, dat beter overeenstemde met de weelde van de eetzaal, dan met de eenvoudigheid van den

Sluiten