Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de overledene als de nog levende, zijn bekend en verwant aan de beste geslachten van Frankrijk ; dat alles is, naar ik meen, helder, klaar en open, en dat alles is te bewijzen, zoodra gij het mocht wenschen."

..Gij hebt gelijk, Mijnheer de Graaf! dat alles is duidelijk; maar ik zie niet in, dat wij zooveel van elkander behoeven te weten, om goede buren te zijn !"

„Neen, Mijnheer I dat is zoo! om goede buren te zijn, heeft men niet zooveel noodig; maar ik wenschte meer voor u te worden, en daarom bid ik, verwacht ik, eisch ik eene wederkeerige openhartigheid, die gij mij tot hiertoe niet hebt geschonken; want, Mijnheer I gij zijt niet, wat gij schijnt."

„Zoo, mijn waarde Graaf! en wat schijn ik dan?" sprak de Sieur eenigszins spotachtig.

De jonge man bloosde en zag verlegen naar den grond; daarop hernam hij met eenige aarzeling:

„Ik had mij juister moeten uitdrukken; de fortuin, waarover gij beschikt, uwe bezittingen, uwe ondernemingen, zijn volstrekt in geene overeenstemming, noch met uwe wijze van zijn, noch vooral met den eenvoudigen naam, dien gij voert; met één woord, Mijnheer ! gij beschikt over een Vorstelijk vermogen, en gij noemt en gedraagt u als een burger; dat geeft iets geheimzinnigs, dat wekt den argwaan; men gist, men praat, men fluistert, en dat alles kan mij niet onverschillig zijn; dat alles moet ik opgehelderd zien; want... ik heb besloten, het geluk van mijn leven ..

„Chut, Mijnheer! lever dét niet zoo voorbarig in de eerste hand de beste. Gij wilt weten, wie ik ben ! Ik onderzoek nog niet wat u tot deze vraag het recht geeft. Ik wil haar eerst beantwoorden." Toen zag hij hem scherp aan, en vervolgde: „Mijnheer de Graaf de Sainbertöt! ik ben niets, dan dat, waarvoor ik wil

Sluiten