Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelden, niets anders, dan zooals ik mij vertoon : een man van burgerlijke afkomst — die geen recht heeft op eenigen anderen titel, dan dien hij voert, een zulken, dien de maatschappelijke overeenkomst voegt bij den doopnaam van hem, die geen anderen heeft, of een die beter klinkt. Ik heet Frangois, en men noemt mij: „den Sieur Frangois!" een beleefdheidswoord, waarmede men den geringsten burger noemt, een titel, die men desnoods geven zou aan —" hij aarzelde even, en verbleekte licht, toen hij voortging, „aan een lakei, dien men toespreken wilde."

„O mijn God!" riep de jonge Edelman. „Gij hebt dan niet eens een naam?"

„Of ik er nu Vatin of Retel bij heet, wat helpt ons dat?" hervatte de Sieur met kalmte, — „de naam, dien ik voer, heeft geene beduidenis, en ik heb mijne goede en geldige redenen, dien voor u en voor ieder verborgen te houden, ten minste vooralsnog."

„In 's Hemels naam, Mijnheer! weet dan, dat ik — maar neen ! dat is een logen, die eenige hooge beweegreden u ingeeft," viel hij zich zeiven in; „de staat, dien gij uwe dochter laat voeren, de opvoeding, die gij haar gegeven hebt, is .... getuigt er tegen, of...

„Heeft dan een burger, ook de eenvoudigste zelfs, niet het recht zijne kinderen op te voeden en te> omringen, zooals hij goedvindt, als zijne fortuin het hem toelaat?"

„Een Pair van Frankrijk13) zou hierop neen antwoorden, en mij dunk, dat een zoodanig burger den wil niet kan hebben, zijne dochter aan eene weelde te gewennen, die alleen Hertoginnen past! Neen, Mijnheer! het is duidelijk, gij misleidet mij, en "

„Ik wil een eed doen bij het heiligste, dat gij noemen zult, dat ik de waarheid sprak."

„O dan, Mijnheer! dan bid ik u, verklaar mij, aan

PRINSES ORSINI.

8

Sluiten