Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben bij den Hertog de Bracciano ontboden, om eene nieuwe villa op te bouwen aan de overzijde van de rivier, maar die Heer is een slechte betaler, als ze vele zijn; doch wat ze niet alle zijn, hier te Rome ten minste niet, hij is een stumper, die van de kunst niets begrijpt en die haar niet weet te eeren."

„Dan zult gij u zeker niet vernederen met voor hem te werken?" vroeg Frangois. „Een man als gij!"

„Dat zou zeer onvoorzichtig zijn voor een man als ik," hernam de Meester glimlachende. „De groote Heeren mogen somtijds onbeduidende vrienden zijn, ze zijn zeker gevaarlijke vijanden, en deze Bracciano is de eerste leek van onzen Heer, den Heiligen Vader, en vele Kardinalen en hooge Prinsen maken het hof aan zijne vrouw. Hun huis is het bezochtste van Rome; ik zou hem niet gaarne tegen mij hebben; daarom luister, ik heb er iets op bedacht. Gij zult er heengaan in mijne plaats; gij zult uw proefstuk doen; gij zult het plan maken en de bouwing regelen; een ander zou ik geen leerling durven zenden, al ware het dat hij meer wist dan ik zelf; met dezen Prins hebben wij de handen ruim, en gij moet toch eens beginnen; als gij u hiervan met eere kwijt, zult gij zien welk een roep er van u zal opgaan in Rome, en al ware ik niet meer daar, uw naam zou gevestigd zijn, zoo zeker als uwe fortuin. Vereenig dus vandaag alles wat gij weet en zijt — want gij gaat een grooten stap doen."

En toen de jongeling dankbaar de hand drukte van den goeden meester en zich verwijderde, om te gehoorzamen sprak hij bij zich zelven: „de Bracciano! Heb ik dien naam niet meer gehoord?" En hij herinnerde zich, dat het de naam was van de groote Dame, wier reiskoets hem tot voertuig was geweest naar Rome! „Dat moet mij geluk aanbrengen," dacht hij vroolijk. De eerste maal, dat hij over het plan kwam spreken met

Sluiten