Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevierd 1), en heeft de tweede in het lot van zoo menigen gedenkdag gedeeld. Toch geldt het, alles te zamen genomen, nog altijd van het Christelijk Paaschfeest en zijne vreugde, ook na den feilen storm der laatste jaren: „evenwel het vaste fundament Gods staat." 2) De eeuwenheugende boom heeft kostbare takken verloren, maar zijne wortelen te vaster en dieper in het hart van het waarlijk levend deel der gemeente van Christus geslagen. Heil ons, zoo wij in waarheid Amen mogen zeggen op het woord des Verheerlijkten: „Ziei Ik ben dood geweest, en Ik ben levend in alle eeuwigheid." 3) Maar driewerf heil, waar men, het oog naar boven, herhalen mag: „Christus leeft in mij, en ik zal eeuwig leven bij Hem !"

De Christelijke Paaschviering, zoovele weken achtereen met zorgvuldigheid voorbereid en aan de feestelijke verkondiging van het feit aller feiten geheiligd, kon en mocht niet eindigen, zonder een harer waardige Nabetrachting. Zoo althans heeft reeds de oude kerk in en na de tweede eeuw het begrepen, en geheel het vijftigdaagsch tijdperk, dat op den grooten Paaschmorgen volgde, tot een vasten jaarlijkschen feesttijd geheiligd. Bepaald mogen de drie eerste Zondagen na Paschen als zulk eene feestelijke Navieri.ig van het feest der opstanding aangezien worden. Reeds de namen, daaraan van ouds in den kerkelijken kalender gegeven, hebben in dat opzicht hooge beteekenis. Q u asi m od o gen i ti, „als nieuw geboren kinderkens" (2 Petr. 2 : 1) heette van ouds de eerste rustdag na Paschen, niet slechts omdat de gemeente

1) ln de Acten der Classis van Nijmegen Ao. 1611 wordt echter uitdrukkelijk bepaald, „dat uien slechts twee dagen predikeu zou, en zou wie bevonden werd op den derden dag wederom gepredikt te hebben, zal vervallen zijn in een amende van eeu daler, telkens te verbeuren ten profijte der Classis." Zie het aangeh. werk van Junius, I. bl. 249. De geschiedenis meldt niet, of de kas door deze boete veel is verrijkt geworden. lu ieder geval was zoo iets eene zeldzame nitzondering.

2) 2 Tim. 2 : 19.

3) Opeub. 1 : 18.

Sluiten