Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeg in het vroom gemoed een stem gesproken heeft, die de geloovigen drong om „den dag der opvaart, der opneming,'' gelijk hij heette, niet onopgemerkt te laten voorbijgaan. In de vierde eeuw althans, en later geregeld, werden op dien dag de heiligdommen geopend, en de hemelvaartspsalmen door een talrijke en blijmoedige schare gezongen. Reeds toen werd de veertigste dag te gelijk geprezen als die, waarop in en door Christus de menschelijke natuur in de nauwste gemeenschap met de Godheid zelve werd opgenomen en toegelaten. De Syrische Christenen uit den tijd van Chrysostomus en later plachten dan bij voorkeur in de vrije lucht of op de graven der martelaren samen te komen, om zich daar op dezen dag van de nauwe gemeenschap tusschen dc strijdende en zegepralende kerk bij vernieuwing bewust te worden, en in den geest den Verheerlijkte natestaren. Helaas, met welk een geheel ander doel zien wij thans zoovele duizenden, die zich Christenen noemen, bij voorkeur op den Hemelvaartsdag het gewoel onzer steden in den schoot der heerlijke schepping ontvlieden, en zich daar overgeven aan wat schandelijk is ook om te zeggen ! „Wat staat gij, en ziet steeds naar de aarde," dus mochten de Engelen der hemelvaart dan vooral wel tot zoovelen herhalen, die ook nu niets dan aardsche dingen bedenken! De Christen echter, die zich met Christus in den hemel gezet weet, doorleeft dien dag by voorkeur in den geest in den omtrek van het stille Bethanië, en het is hem, als herhaalt zich het tooneel, zoo schoon door den dichter geteekend:

,Hoe vroolijk groent de hooge olyveotop,

Door 't morgeorood met vloeibaar goud omgeven!

Een witte wolk schijnt boven Hem te zweven,

En Jezus, de Verreez'ne, treedt er op.

In stille machtbetooning strekt de Heer Zijn vriendenstoet de vriendlijke armen tegen ;

De trouwe schaar ontvangt zijn laatsten zegen,

En zinkt aanbiddend aan zyn voeten neer.

Sluiten