Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werktuigelijk herdacht, maar op nieuw inwendig doorleefd heeft, zal op dézen dag kunnen nalaten het Apostolisch: „Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen" uit een vol gemoed te herhalen ?

Met dezen Trinitatis-Zondag gaat de Christelijke kerk als het ware uit haren jaarlijkschen Feest- in haren jaarlijkschen Leertijd over. Vestigen wij dus thans ten slotte op

IV. de feestelooze helft

van het Christelijk Kerkjaar den blik, dan blijkt ons weldra haar nauw verband met de feestelijke, tot dusver besproken. Bij oppervlakkige beschouwing, het is zoo, is het onderscheid groot. Tot dusver was het ons, als stonden wij bij herhaling op een blinkenden bergtop, slechts door een korte tusschenruimte van een anderen bergreus gescheiden ; thans integendeel zijn wij als de wandelaar, die het dichterlijk bergland, de Alpenwereld achter zich ziet, terwijl eene wel is waar vruchtbare, maar toch min of meer eentoonige vlakte voor zijne oogen zich uitbreidt. Toch ontmoet hij ook nog bij het voorttrekken hier en daar een vriendelijk groenenden heuvel, en evenmin ontbreekt het voor zijn voet aan een frisschen helderen stroom. Als van de berghoogte, waarvan wij spraken, is de stroom der Evangelieverkondiging afgedaald, die nu verder van week tot week geregeld voortgezet wordt. Zonder beeldspraak, de feestelooze helft van het kerkjaar brengt en bevordert te gelijk de toepassing der groote heilsfeiten, die in de feestelijke helft voor de geestelijke herinnering en ervaring als vernieuwd en ververscht zijn geworden. Toen was het, in zekeren zin, het zaad, thans de oogst; Christus vo'or ons, zoo zou het opschrift op de feestelijke ; Christus in ons, zoo zou de leuze voor de feestelooze helft van het kerkelijk jaar kunnen heeten, natuurlijk niet in tegenstelling aan, maar toch min of meer in onderscheiding van, en juist daardoor in overeenstemming met elkander.

Sluiten