Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenlijk heeft; gij zoiult er even trotscli op zijn als de Amsterdammer op zijne stad, als gij maar durfdet. Natuurlijk zoudt gij niet zóó verblind zijn om over het hoofd te zien, hoe achterlijk het was, bij groote bloeiende steden vergeleken, maar de stem van verstand en ervaring zou daarom de stem van Uw gevoel nog niet tot zwijgen brengen.

Breiden wij 1111 den kring onzer genegenheid nog wat uit, dan zouden wij — om 1111 van de provincie, waartoe wij behooren, maar te zwijgen — van zelf komen tot de liefde voor het vaderland: den grooten huiselijken kring, de groote stad onzer inwoning. Waar wij ons in dat vaderland ook mogen bevinden, wij gevoelen ons er meer tehuis, dan daar buiten. Waarom? In den vreemde hebben wij allicht kans vreemde zeden en gewoonten aan te treffen, waaraan wij ons slechts met eenige inspanning kunnen gewennen en waartegen wij dikwijls gevaar loopen te zondigen. Ziet men er ons niet met den nek aan, dan geschiedt dat uit beleefdheid, maar eene beleefdheid, die ons opnieuw doet gevoelen, dat wij er vreemdeling zijn. Wij hebben de taal van dat land redelijk wel geleerd, meenen wij, en kunnen er ons met eenige moeite verstaanbaar in uitdrukken, althans voorzoover het de zaken van het dagclijksch leven betreft. Maar willen wij eens in hartelijke woorden ons innig gevoel uitspreken, dan blijkt het, dat wij dat alleen goed kunnen in onze moedertaal; en moeten wij in een twistgesprek helder en duidelijk onze gedachten uiteenzetten en onze overtuiging verdedigen, dan bemerken wij, dat wij toch niet op kunnen tegen den handigen spreker, die zijne eigene taal geheel te zijner beschikking heeft. Dan gevoelen wij eerst recht, dat wij buiten ons vaderland zijn, en welk een genot is het dan, weer binnen de grenzen van het eigen land gekomen, daar overal om ons heen onze moedertaal te hooren spreken! Wij zouden den spoorwegconducteur wel een extra fooi willen geven, omdat hij ons weer ons plaatskaartje afvraagt in onze eigen taal.

Hoe spreekt ook weer dat vaderlandsch gevoel bij ons, wanneer wij in den vreemde ons land hooren prijzen, of in geschriften van buitenlanders waardeerende woorden aan ons volk gewijd vinden. Dan zwelt ons het hart en nemen wij die betuiging van waardeering aan als ware het eene vriendelijkheid, die ons persoonlijk werd bewezen. En omgekeerd, wordt er buitenslands kwaad gesproken van Nederlanders, verdiend of onverdiend, dan staan wij met onze verontschuldiging of verdediging gereed, of zullen ons althans haasten op te merken, dat men toch maar niet naar enkele exemplaren alle Nederlanders mag beoordeelen.

Met onze landgenooten voelen wij ons één door overeenstemming in zeden en gewoonten, door dezelfde taal en vooral ook door dezelfde volksgeschiedenis. Op die geschiedenis geeft ook de vreemdeling ons het recht trotsch te zijn. Wat ons voorgeslacht heeft verricht op het gebied van kunsten en wetenschappen, van handel en nijverheid, van verdraagzaamheid en vrijheid bovenal, waarvoor ons volk goed en bloed in moedigen strijd veil had, wordt alom

Sluiten