Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was eens zulk een postrijtuig te Beiruth in Syrië, twee uren voor zonsopgang.

Vóór het posthuis stond de geelgeschilderde groote post-koets, die met haar hoog-opgehaalde raampjes en met haar zitplaatsen er bovenop, aan de werkplaats van een Europeeschen wagensmid deed denken. En zij was ook werkelijk in Frankrijk, voor Fransch geld, gemaakt. Over den breeden straatweg, die voor Fransch geld over den Libanon was aangelegd, verplaatste zij dagelijks Westerlingen en Westersche zeden naar Damaskus, het hart van Syrië.

Een paar negers waren onder het uitgalmen van luide kreten rondom een groote lantaarn bezig; aanstonds begonnen zij de paarden vóór den wagen te spannen. De schaduw van een negerjongen met dunne beenen kwam tegen den witten muur van het huis uit als een door een zonnemicroscoop vergroot insect. Een kleine dikke inboorling met een f e z op het hoofd, stapte deftig naar de deur van de postkoets; hij hield een vuil stuk papier in de hand en las, het rijtje langs, en in 't Fransch, de namen op van de personen die voor plaatsen hadden ingeschreven.

„Mister en miss Harven!" begon hij, zich tot twee zorgvuldig ingepakte gedaanten wendende.

Deze stapten onmiddellijk in.

Mister Harven was een korte, breedgeschouderde, bejaarde heer, met een witten baard en lange haien. Hij

Sluiten