Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze reiskameraad, monsieur Emin ibn el-Arabi, wezen moet?" — viel hij zich zelf te midden zijner levendige voordracht in de rede. — „Neen? — Nu, hij moet een dweper zijn van de ergste soort. Hij stamt in rechte lijn af van den ouden dichter Muhi ed-din ibn el-Arabi, en hij maakt ook opruiende Arabische verzen, die hem hier in de stad ongehoord populair maken. Zijne specialiteit is het intusschen, Christenen op te zoeken met het doel — begrijp eens! — deze tot den Islam te bekeeren; — een Geschaft, dat natuurlijk zeer slecht gaat. Toch is mijn huisheer dol met dien charlatan ingenomen. Hij noemt hem zijn besten vriend. Den geheelen avond heb ik gisteren verhalen gehoord over de edelmoedigheid en over de, tot het ongelofelijke opgehemelde, deugden van monsieur Emin: zoo ten naastenbij alsof hij een nieuwe profeet was, of de aangewezen persoon voor een eerstvolgende benoemingtot Sultan van Damaskus. Mij mag monsieur Emin met pleizier bekeeren. Ik wil ook veel liever bij vier allerliefste vrouwtjes wonen dan met geen enkele, zooals nu."

Nell maakte hier en daar wel een kleine op- en aanmerking op de woorden van Blumenbach; maar zij behandelde het geval op echt vrouwelijke wijze; dat is te zeggen, het scheen er haar meer om te doen te zijn het laatste woord te hebben dan om hem in ernst tegen te spreken. Het kon haar

Sluiten